Test je ook mee?
Wij werken aan een nieuwe lay-out.
Vanaf 2 april is deze beschikbaar. Wil je de nieuwe lay-out alvast gebruiken?
Test nu mee en laat ons weten wat je er van vindt!
Ik doe mee! Liever niet
Menu

Buurtverhalen

Hieronder staan alle verhalen of blogs die je buurtgenoten op de site plaatsten. Ze zijn blij met jouw reactie!

Pagina's (1): 1
Titel Omschrijving
In de lommerrijke Prins Hendrikstraat valt mij een affiche achter een raam op:FUCK FREUDstaat er. De rest kan ik niet lezen. Kan ook dat er verder niets op staat.Zie ik de oude Sigmund (1856-1939) voor me, die zegt: 'Na Ja, so was, dass ist doch Nekrophilie!!!'Ton Verbeeten
Als je de buurt eens uit wilt de natuur in is dat eenvoudig. Je rijdt bijvoorbeeld de Boulevard Heuveling uit en steekt de Johan de W. laan over, de Van OldenBarneveltstraat in. Daar neem je het zwierige fietspad naar links, dwars door het Broek, richting Westervoort. Je fietst over de brug, slaat rechts af de dijk op. Dan kom je vanzelf in een gebied dat Rijnstrangen heet. INDIAN SUMMER
Eind februari 1914 was er hoog bezoek in de Spijkerstraat. Burgemeester A.J.A.A. baron van Heemstra die werd vergezeld door zijn wethouders, opende het tehuis van de Arnhemse loge van Goede Tempelieren aan Spijkerstraat 116. G.C. Niermeier, de voorzitter van de plaatselijke loge, hield een toespraakje, waarna de burgemeester de orde geluk wenste. Het huis, zo berichtte een krant, fungeerde als vergaderlokaal en als locatie om gezellig samen te komen voor hen die 'met behulp van de broeders en zusters der orde willen trachten zich te bevrijden van de kluisters van den drank'. Ze zouden er 'vrienden vinden die hen met raad en daad ter zijde willen staan, die hen willen steunen steeds en overal'. Het gebouw was eenvoudig maar gezellig ingericht. Beneden waren twee ruime kamers, die dienden als conversatieruimte, en een klein kamertje. Boven was een kamer voor bestuursvergaderingen en een bibliotheekje. De naam Goede Tempelieren is een verwijzing naar de legendarische middeleeuwse kruisridders. Deze stonden behalve als geduchte strijders ook bekend als stevige innemers, waar de uitdrukking 'drinken als een tempelier' aan herinnert. Toen in de negentiende eeuw in de Verenigde Staten een gezelschap ontstond dat zich richtte op de drankbestrijding noemden ze zichzelf Goede Tempelieren, als tegenstelling tot hun 'slechte' voorgangers. Ordeleden moesten ridder zijn in dienst van het goede, 'om mee te helpen bouwen aan een tempel van nuchterheid, broederschap en vrede'. De Goede Tempelieren richtten zich op 'verheffing van de mensheid door de bevrijding van de verwoestende invloed van bedwelmende middelen', zo is te lezen in het orde-blad De Goede Tempelier. De Nederlande afdeling ontstond in 1893 in Amsterdam waar zij was opgericht door de bioloog prof. J. van Rees. Aanvankelijk had de orde een orthodox-protestantse signatuur. Uit onvrede hiermee werd in 1907 een neutrale orde gesticht, die echter in 1923 weer fuseerde met de oorspronkelijke organisatie, die inmiddels niet langer religieus georiënteerd was. Rond 1918 bestonden er in Nederland zo'n honderd afdelingen - ook wel loges genoemd - met enige duizenden leden. Internationaal kende de orde honderdduizenden leden en afdelingen in tal van landen. In het gebouw aan de Spijkerstraat vergaderden de neutrale Tempelieren. Zowel de districtsloge 'Samen Opwaarts', gevormd door vertegenwoordigers van loges in heel Gelderland was hier gevestigd, als de plaatselijke loges 'Menschelijkheid XV' en 'XXIV'. Deze loges maakten op hun beurt weer deel uit van de landelijke Groot-loge en het hoogste lichaam, de Internationale Loge. Deze wijze van organisatie, maar ook de terminologie en bepaalde gebruiken van de orde vertonen overenkomsten met het genootschap van de Vrijmetselarij. Over de Arnhemse Tempelierenloges is weinig meer bekend dan een aantal namen namen van de voorzitters G.C. Niermeier en C. Jacobs, penningmeester Huitema en de secretaris V. Regnier. Tijdens het voor buitenstaanders niet toegankelijke samenzijn werd gezongen en hield men 'rituele toespraken'. Iedere week opnieuw legde men de belofte van geheelonthouderschap af. Het inwijden van nieuwe leden ging gepaard met een plechtigheid en met 'ritualen' die een vaste band tussen de ordeleden moest kweken. Dit was noodzakelijk omdat de orde veel voormalige alcoholisten in haar gelederen telde die vooral niet mochten terugvallen in hun oude gewoonte. Deelname aan de orde was bepaald geen vrijblijvendheid. Goede Tempelieren kwamen verplicht wekelijks samen. Bij afwezigheid kon men rekenen op huisbezoek van de 'broeders' en 'zusters', zoals de ordeleden elkaar plachtten te noemen. Behalve geheelonthouder waren de Goede Tempelieren uitgesproken progressief. Men stond voor de gelijkheid van mannen en vrouwen en mensen van alle rassen, kleuren en gezindten. De Goede Tempelieren onderscheidden zich door werkwijze en ideologie van andere drankbestrijdings-organisaties. Kennelijk werkte het. Het was de bekende strafrechtgeleerde dr. Nicolaas Muller die de orde als officiële reclasseringsinstelling erkend kreeg. In 1962 fuseerde de Groot-loge van de Goede Tempelieren met een tweetal andere drankbestrijdingsorganisaties tot de Algemene Nederlandse Drankbestrijdersbond. Tegen die tijd waren de Goede Tempeliers al lang uit de Spijkerstraat vertrokken. Eind 1916 berichtte de Arnhemsche Courant dat het huis te klein was geworden, een bewijs van flinke toename van het ledental en een ruime financiële ondersteuning vanuit de burgerij. De orde moest op zoek naar een nieuwe ruimte en vond die in de Bakkerstraat.
Café Kelholt In 1880 kwam Bart Kelholt (1854-1931) vanuit de Achterhoek naar Arnhem om hier aan de slag te gaan als koetsier. Al spoedig had hij zijn eigen café , eerst op Steenstraat 14, vanaf omstreeks 1893 op nummer 105. Later kwam daar 107 nog bij. Kelholt nam de zaak over van H. Kräwinkel, wiens café een voortzetting was van het aloude Arnhemsche Koffiehuis dat er vanaf 1855 zat. Het was gelegen aan het eind van de Steenstraat tussen het Westeinde en het thans verdwenen gedeelte van de Spoorwegstraat dat parallel liep aan het spoor. Café Kelholt had een bovenzaal die veel gebruikt werd voor het geven van cursussen, bijvoorbeeld die van de vereniging van Vrijdenkers, over de 'Physiologie van den Mensch', in oktober 1901. Ook was het café een populaire locatie voor politieke bijeenkomsten. Vooral socialisten van diverse pluimage, en niet de minsten onder hen, deden Kelholt aan als er in Arnhem iets te doen was. Zo sprak op 25 februari 1902 SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra er over 'anarchie en sociaaldemocratie'. Begin juni 1903, met Pinksteren, verzamelden zo'n 80 anarchisten uit het hele land zich in Kelholt voor hun tweedaagse congres. Ondanks uitvoerige discussies kwam het bij geen enkel punt op de agenda tot besluiten. Nederlands bekendste anarchist in die tijd, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, onderhield de aanwezigen over propagandamethoden en een aanstaand anti-militaristisch congres. Het was niet alleen politiek wat de klok sloeg in Kelholt. Er vonden toneelopvoeringen plaats en veilingen, landbouwers en veetelers hielden er hun vergaderingen. Ook was het, volgens een advertentie, 'de beste gelegenheid tot het geven van partijen. (…) billijke condities'. De Nieuwe Karseboom Op 21 augustus 1915 werd café Kelholt opgevolgd door café-restaurant en concertzaal De Nieuwe Karseboom, uitgebaat door F. Hartmann. Er was een openingsoptreden van Caecilia, gevolgd door optredens van 'internationale artisten'. De Arnhemsche Courant prees de eigenaar, die alles deed om het zijn bezoekers naar de zin te maken. Er was steeds een goed orkest en variatie in het programma. Nu eens zangers en variété artiesten, dan weer operettegezelschappen dat het talrijke publiek iedere avond hartelijk deed lachen. De Nieuwe Karseboom had iedere zaterdag nieuw aanbod, titels als 'De luitenant met zijn oppasser' en 'Bof ie even', in advertenties aangeprezen als 'groot lachsucces'. Ook de 'Originele Tiroler troep' onder leiding van Tobias Wilhelm was in april 1916 een 'reuzensucces', zodat de directie zich 'verplicht achtte' hen een maand 'te prolongeren'. In het najaar van 1916 was de concertzaal het toneel van internationale worstelwedstrijden. Worstelaars als Antonitsch uit Bosnië, Carlos uit Portugal en de Schot Rankin namen het een week lang tegen elkaar op. De krant vermeldde iedere dag de uitslagen: 'Rankin overwint Reuter (Luxemburg) in 2 min. 30 sec'. Overig vermaak in het café bestond uit de 'oerkomische parodist' Woodward, Carl Prelle met zijn sprekende hond Jupiter, de 'karrikaturist' Rolf Holbein, de 'transformatiedanseressen' Soeurs Mignon, de 'excentrieke acrobaten' de 2 Oswaldo's. Het dagelijkse programma was afwisselend, om niet te zeggen buitenissig. Wat te denken van Chinese goochelacts, buiksprekers, voordrachtkunstenaars, en Burtie Villiers, de 'Zuid-Afrikaanse dwerg humorist'. In het najaar van 1921 sloot De Nieuwe Karseboom zijn deuren toen het met annex slijterij en bovenwoning werd geveild. Cabaret Suisse Op 17 december 1921 opende op dezelfde locatie Concert en Cabaret Theater Suisse met een optreden van 'eerste rangs specialiteiten'. Ook was er nu een 'dansinstituut' gevestigd. Suisse ging verder waar De Nieuwe Karseboom was geëindigd. Tijdens de kerstdagen waren er optredens van Jlue-Jim het 'slangenmensch' en Ria-Roepele 'een vrouwelijke Maciste. Het toppunt van schoonheid en kracht'. Er traden zangers op, moppentappers, 'verbluffende acrobaten', danseressen, kunstwielrijders, de 'muzikale clown en imitateur' Gae Tano, de 'internationale humorist' Tonny Hunter en de 'sensationele equilibristen' Les Taveniers. Verder 'oerkomische operettes', Francisco 'de man met het leeuwengebit', de Sisters Diano 'in hun onovertroffen gymnastische werkzaamheden' en Miss Artella 'met haar 40 gedresseerde papegaaien, kaketoes en duiven'. Kortom, never a dull moment aan de Steenstraat, of zoals men het in die tijd zei: Suisse was 'het gesprek van den dag'. Elwino, de enige fakir die zich levend liet begraven en dan 'eenige tijd dood schijnt' deed dat natuurlijk bij Suisse. Het trok hordes belangstellenden. Ook kon het Arnhemse publiek getuige zijn van de 'telepatische auto-séance' van Maloïtz uit Amsterdam, bijgenaamd 'de politiespeurhond'. Deze kwam in 1923 een 'geheime telepatische opdracht' uitvoeren die was bedacht door redacteuren van Arnhemse bladen, een politierechercheur en een bestuurslid van de vereniging van psychisch onderzoek. Het publiek moet er van hebben gesmuld. Journalisten volgden het gebeuren op de voet. 'Het leek wel een filmopname, zooals daar vanmiddag telepaath Maloïtz, staande op de treeplank van een auto, door Arnhem's straten reed, omstuwd door drommen belangstellenden, die eens wilden zien, wat het telepatisch wondermensch eigenlijk van plan was.' De Steenstraat zag 'zwart van menschen' toen Maloïtz 'prompt twaalf uur tevoorschijn kwam' uit Suisse waarna een tocht met opdrachten volgde. De Arnhemsche Courant schreef dat alles was gebeurd conform opdracht. De telepaat had het er 'schitterend' afgebracht. Dat was volgens de krant een aanbeveling om in Suisse te gaan kijken 'te beginnen met morgenavond'. Wie denkt dat het niet sterker kan, Suisse had ook nog ene Mr. Jackson, die 'met zijn onbegrijpelijk en geheimzinnige vlucht uit de Amerik. Electrische stoel' ontsnapt was. Cabaret Modern In 1925 sloot Cabaret Suisse zijn deuren. Na enige weken verbouwen zag alles er weer 'keurig netjes uit'. Niet alleen het uiterlijk was veranderd, ook de naam. Het heette nu Cabaret Modern. Elke avond en zondagmiddag was er 'cabaret en dancing', met optredens van de humorist Tummers en 'verassende staaltjes op het gebied van illusionistische experimenten' van Sonja Wengora. De Kentucky's traden op met 'een paar aardige zang- en dansnummers'. Piet Groenendaal had nieuw repertoire samengesteld 'met daarnaast een paar van zijn oude nummertjes, die nog steeds inslaan'. Gladys, 'het kind van Montmarte', bracht Parijse sfeer. In augustus 1926 trad het 'geheugen-wonder' Roland op. Deze kon 'onfeilbaar' vertellen wat er bijvoorbeeld stond op de derde kolom van pagina 2, regel 24 van de krant van die dag, 'voorwaar een prestatie eenig in haar soort'. Hoewel het publiek vanaf de opening de weg wist te vinden naar Modern, moest het toch regelmatig een paar maanden per jaar sluiten. Eind augustus 1927 pas schreef een plaatselijke krant dat Arnhem nu 'werkelijk een modern cabaret bezit. 't Is niet meer dat holle ongezellige, het min of meer “gewone” danshuis uit vroeger jaren, dat toendertijd slechts bezocht werd door een bepaalde categorie van bezoekers'. De huidige directeur J. Jogchem was het eindelijk gelukt er iets 'goeds' van te maken. In Modern waren optredens te zien van de 'antipodist' Van Kesteren, een opvoering van Shakespeare's De getemde feeks en van de 'humorist' Bolletje, een 'meester in zijn vak'. In augustus 1932 sloot Modern zijn deuren opnieuw, om na enige maanden en geheel opgeknapt weer open te gaan onder de zelfde naam. Jogchem had plaats gemaakt voor een nieuwe directeur, J. van Gessel. In de programmering, een 'welvoorzien variété-programma' veranderde ogenschijnlijk niets: humoristen, dansers, acrobaten en orkesten wisselden elkaar af. De zaken gingen ook onder Van Gessel niet zo voorspoedig als de advertenties de lezers wilden doen geloven. In september 1935 vond de openbare verkoop van dit café plaats. Cabaret Atlantic Op 5 januari 1937 opende Cabaret Atlantic onder grote belangstelling en met een nieuwe directie zijn deuren. Er was grondig verbouwd, de muren in warme kleuren en moderne motieven. Ten aanzien van het publiek was een nieuwe weg in geslagen, omdat men er – anders dan bij het vorige café – voor wilde zorgen dat men het cabaret kon bezoeken 'zonder in contact te komen met minder gewenschte elementen'. De eerste avond waren al 20 bezoekers geweigerd, aldus Frans Vilé, als vast conferencier aan de zaak verbonden, tegenover een journalist. Atlantic bood cabaret en gelegenheid tot dansen op muziek van de band van P. van Dijk. Verder waren er optredens van de sneltekenaar Johny Charlie, die een 'treffend staaltje van zijn kunnen' gaf, door een caricatuur van Mussolini om te toveren in Hitler. Daarnaast traden buiksprekers en komische draad- en trapeze acts op en waren er optredens met levende slangen en 'exotische muziek'. Begin 1939 viel het doek voorgoed. Atlantic ging dicht, de rij panden waaronder nummer 103 t/m 107 werd afgebroken om plaats te maken voor winkels, die op hun beurt werden verwoest tijdens de Slag om Arnhem.
1. 2. 3.
Verborgen sporen Het Spoorboekje roept verrassende reacties op van mensen die ook een verhaal over hun familie in de Spoorhoek hebben. Reden voor een digitaal vervolg op deze website. Met foto's en informatie verzameld en beschreven door Jolanda Keesom. Reacties en aanvullingen over andere families zijn welkom! Bakkerij Kusters, Hommelstraat 74, Arnhem Bakkerij Kusters, jaren zeventig (foto: Paul Kusters) Op Hommelstraat 74, vlakbij het spoorwegtalud, hebben van 1920 tot 1978 twee generaties bakkers met de naam Kusters gewerkt. De derde generatie groeide nog wel op boven de bakkerij, maar heeft de zaak niet voortgezet. Paul Kusters (1953) is de oudste van de acht kinderen van de laatste bakker, Johan Kusters. Hij kan smakelijk vertellen over het opgroeien tussen het spoor, de bakkerij en de Martinuskerk. 'Mijn grootvader, Theo Kusters, is in 1920 in de Hommelstraat terechtgekomen als compagnon van bakker Jansen. Die was in 1880 een bakkerij begonnen aan de Hommelstraat nadat het gemeentebestuur van Arnhem in 1870 had besloten de stad uit te breiden met de wijk Klarendal. De Hommelstraat was toen de enige toegangsweg naar deze nieuwe wijk, want de Oude Klarendalseweg was door de aanleg van de spoorlijn doorkruist. Bakker Jansen had een zoon en waarschijnlijk drie dochters. Omdat die dochters weinig vertrouwen hadden in hun broer als opvolger, gingen ze op zoek naar een andere bakker. Mijn grootvader kocht destijds in dienst van het Nederlandse leger eten in en had daardoor regelmatig contact met bakker Jansen. Zo ontstond bakkerij Jansen-Kusters. Mijn grootvader kwam oorspronkelijk uit Wijchen, waar zijn vader smid was. In 1920 trouwde hij met mijn oma, Nellie Bosman uit Nijmegen. Ze woonden boven de bakkerij, kregen acht kinderen en namen ook nog een nichtje in huis. Mijn opa was actief in de bakkersvakbond en organiseerde allerlei middenstandsactiviteiten. Door de gestage uitbreiding van Arnhem naar het Noorden deed de bakkerij goede zaken, ook al moesten zijn medewerkers met volle handkarren en bakfietsen daarvoor een flink eind omhoog, de heuvels van de Veluwe op. Nieuwbouw Aan de samenwerking met Jansen kwam in de loop van de jaren dertig een abrupt einde. 'Toen Jansen lid werd van de NSB verbrak mijn grootvader de samenwerking met hem en zette hij de bakkerij voort onder de naam Bakkerij Th. M. Kusters, later Bakkerij Kusters & Zn. Omdat hij Jansen moest uitkopen had hij geen geld om te investeren in de nieuwbouw rond de bakkerij waartoe de gemeente in die tijd besloot. Maar mijn grootvader had er alles voor over om niet meer verbonden te zijn met een NSB-er. Hij sloot daarom voor dertig jaar een huurcontract met de belegger.' Halverwege de jaren dertig begon de sloop van de oude bebouwing tussen de Hommelstraat, de Oude Klarendalseweg en de Noord- en Zuidstraat, waar eind negentiende eeuw eenkamerwoningen waren neergezet. Paul Kusters hoorde van zijn oom Frits wat een ingewikkelde operatie dat was: 'Eerst werd achter de bestaande bakkerij tegen de spoordijk aan een nieuw bedrijfsgedeelte gebouwd. Vervolgens werd de oude bakkerij gesloopt en op die plaats een nieuwe winkel met woonhuis gebouwd. Tot slot werd het oude winkelpand gesloopt zodat de straat bij de Hommelsepoort verbreed werd. De bakkerij en wagenloods lagen nu middenin het nieuwe driehoekige blok aan de noordkant van de Oude Klarendalseweg waar ze op uitkwamen met een poortje.' Naast de bakkerij, op Hommelstraat 74, heeft altijd een laag pandje gestaan van aardappelboer en later groenteboer Derksen. Dat paste net tussen het nieuwe blok en het spoorwegtalud. Luchtfoto van de Spoorhoek, jaren vijftig, met aan de rechterkant aan het verbrede stuk van de Hommelstraat het driehoekige blok waarin bakkerij Kusters zat, met een poortje aan de Oude Klarendalseweg. Oorlog Van zijn vader en zijn oom Frits heeft Paul de verhalen gehoord over de evacuatie van Arnhem in september 1944. 'Ze zaten aan tafel voor het middageten toen de bommen op de Bloemstraat vielen. Net daarvoor hadden ze nog in de Martinuskerk aan de Steenstraat gezeten, maar waren ze naar huis gestuurd vanwege het luchtalarm. Vanuit de slaapkamer boven konden ze de parachutisten boven Oosterbeek zien landen. In de week daarna bood de kelder van de bakkerij, de meelzolder en de wagenloods een veilig onderdak aan buurtbewoners. Zij werden ook ingeschakeld om boord te bakken voor de buurt omdat er geen elektriciteit was en het deeg met de hand gekneed moest worden. Op straat liepen vluchtelingen uit de binnenstad en kinderen en ouderen die de gebouwen van de katholieke stichting Insula Dei moesten verlaten.' Vanaf 23 september 1944 raakte de familie Kusters, zoals zoveel Arnhemse families, op drift. Ze verloren dochter Nellie aan de tyfus. Zoon Piet raakte als gevolg van die ziekte de rest van zijn leven gehandicapt. In het voorjaar van 1945 kwamen Theo en zijn zonen Frits en Johan als eersten terug om de bakkerij weer op te starten die de oorlog wonderwel had doorstaan. Alleen in de winkelpui zat een gat, maar de bakkerskar stond er nog. De Duitsers hadden tankwallen gelegd bij de spoorlijn achter de bakkerij om te verhinderen dat de stad vanuit het noorden bevrijd kon worden. Uiteindelijk lukte dat de geallieerden vanuit het zuiden. De gemeente vorderde de bakkerij voor de voedselvoorziening in de stad. Dag en nacht, in ploegendienst, bakten vader en zoons Kusters brood voor hun terugkerende stadsgenoten. Bakkerij Kusters in 1945; rechts de gebarricadeerde Oude Klarendalseweg (Gelders Archief) “Eet brood van Kusters” Pauls vader Johan was de enige zoon die uiteindelijk in de bakkerij ging werken. Na zijn huwelijk met Thea Groot Antink, woonde hij met zijn groeiende gezin op Boulevard Heuvelink. In 1959 verhuisden zijn ouders naar de Apeldoornseweg en trokken Johan en zijn vrouw met hun vier kinderen in de woning boven de bakkerij in de Hommelstraat. Paul was toen zes jaar en keek zijn ogen uit in de bakkerij. 'Achter de winkel was een speciale kamer voor het personeel met een glas-in-loodraampje in de muur naar de winkel met de tekst “Eet brood van Kusters”. Zo konden ze in de gaten houden wat er in de winkel gebeurde. Dat was vooral handig toen er later een zelfbedieningsafdeling kwam.' Op de begane grond achter de winkel waren toen nog twee bakkerijen: een voor brood, koek en beschuit waarover zijn vader de leiding had, en een voor gebak, waar de deftige meneer Rein Burgers, patissier, de scepter zwaaide. De bakkerij leverde veel aan hotels, vooral brood en petitfours. Tussen de winkel en de broodbakkerij lagen een opslagzolder voor meel en een wagenloods met een uitgang via een poortje naar de Oude Klarendalseweg. 'Het was daar de hele dag een komen en gaan van bakfietsen die door de hele stad bestellingen rond brachten. Ik ging regelmatig mee, het liefst op het spatbord van de enige motorbakfiets die we hadden. Levensgevaarlijk natuurlijk, maar daar maakte toen niemand zich druk om.' Uitgang van de garage van de bakkerij aan de Oude Klarendalseweg met medewerker Mathieu Broekhuizen (foto: Paul Kusters) Spookhuis De kinderen Kusters konden op allerlei manieren ontsnappen aan het toezicht van volwassenen. 'Behalve via de winkel konden we ook weg via de garage(loods) en het poortje. Dan gingen we bijvoorbeeld rolschaatsen op de Hommelstraat waar toen net (voor het eerst) asfalt lag. Het autoverkeer was toen ook nog niet zo druk. Maar een van mijn broers vond het toch een keer nodig om het verkeer tegen te houden. Hij was toen een jaar of zes en ging midden op de Oude Klarendalseweg zitten en riep tegen auto's “Jullie mogen hier niet door”. Dat is gelukkig goed afgelopen.' De kinderen Kusters speelden ook vaak verstoppertje in de bakkerij als daar de bovenlichten waren afgedekt met luiken en het binnen pikkedonker was. Bovendien waren er ook nog twee opslagkelders waar ze op avontuur konden. 'Ons huis was een soort spookhuis', vertelt Paul. 'Mijn slaapkamer was op de tweede verdieping en als ik 's nachts naar de wc moest sloop ik altijd helemaal naar beneden om mijn ouders niet wakker te maken. Op een nacht ging tot twee keer toe het licht aan zonder dat ik dat zelf gedaan had. Ik begreep er niets van, maar vond het wel eng. Iedereen sliep en alles was dicht, dus het waren geen inbrekers. Totdat ik ontdekte dat het licht aanging als er een trein langs kwam. Kennelijk werd er door de trillingen contact gemaakt in de lichtschakelaar. Doordat we aan de spoorlijn woonden, was ik zo gewend aan het geluid van de treinen dat ik ze niet meer hoorde en duurde het even voordat ik het verband met de knipperende lamp legde.' Medewerker Mathieu Broekhuizen communiceert vanuit de banketbakkerij met de winkel (foto: Paul Kusters) Zaterdagmiddag Na schooltijd zat Paul bij de Charles de Foucaultgroep, een scoutinggroep die een oude boerderij langs het spoor achter de Velperweg mocht gebruiken. 'Op een gegeven moment werd die boerderij gesloopt en kwam de hele groep op zaterdagmiddag bij elkaar in de bakkerij waar het werk dan klaar was. Dan hadden we er dus een soort clubhuis.' De zaterdag was toch al een bijzondere dag. 'Als het druk was geweest, gingen we met pannen naar de Chinees aan de overkant om eten te halen.' Paul wist ook dat een buurvrouw regelmatig in het geheim op zaterdagmiddag gebruikmaakte van de grote weegschaal in de bakkerij. 'Waarom ze dat deed weet ik niet, maar ze was dik en misschien had ze zelf geen weegschaal. Soms plaagde ik haar door stiekem achter haar mijn voet op de weegschaal te zetten.' Veel heftiger ging het er aan toe als er ruzie was met andere kinderen uit de buurt die een soort bende vormden. 'Samen met Herman en Joop Noordman van de Oude Klarendalseweg hadden we dan aanvaringen met kinderen uit de Bloemstraat en omgeving. We hebben zelfs de poort wel eens gebarricadeerd om hen tegen te houden. De opa en vader van Herman en Joop hadden een wagenmakerij en timmerwerkplaats aan de Oude Klarendalseweg. Daar haalden we dan stokken om ons te verdedigen.' Bakkerij met stenen oven. Op de tafel ligt een plaat met appelcarrés die nog gebakken moeten worden. Links onder de klok staat de weegschaal. (foto: Paul Kusters) Vakantie met pastoor Ook als misdienaar in de Martinuskerk maakte Paul van alles mee. 'Het leukste waren begrafenissen want dan kregen we na afloop van de uitvaartsmis een glaasje ranja voordat we naar Moscowa gingen voor de ter aarde bestelling. Op de begraafplaats werkten twee kerels die ons expres altijd een mop vertelden vlak voordat we voor de ceremonie naar binnen moesten.' De pastoor en kapelaans van de Martinusparochie woonden in die tijd in nieuwe appartementen aan de Van Muijlwijkstraat. Zij kregen halverwege de jaren zestig gezelschap van een aantal missionarissen van het Heilig Hart die in de missie hadden gewerkt. 'In die tijd waren de Spoorhoek en Klarendal ineens missiegebied', herinnert Paul zich. Zijn vader was actief in de kerk, samen met de katholieke families Winters, Van Maanen en Bekker die ook in de Hommelstraat woonden. De kerk organiseerde allerlei activiteiten voor kinderen en jongeren. Paul mocht rond zijn twaalfde jaar zelfs een keer met twee andere jongens met de pastoor mee op vakantie. 'Pastoor Kouw was een ontzettend leuke man. Hij ging in de zomervakantie een weekje naar familie in Sint Pancras bij Alkmaar en wij mochten mee. Helaas was de pastoor niet meer gewend aan zonnen. Na een dagje aan het strand was hij zo ernstig verbrand dat hij naar het ziekenhuis moest en weken ziek is geweest. Toen zijn wij er zelf maar op uitgetrokken.' Voor vader Kusters schoot de zomervakantie er meestal bij in. 'Wij gingen dan met moeder naar Beekbergen terwijl pa aan het werk was. Later is er wel een soort vakantieregeling met bakker Winters en bakker Van Groningen in de Schrassertstraat gekomen, waardoor ze zomers om de beurt gesloten waren.' Johan Kusters in actie: zwaar werk….Johan. (foto: Paul Kusters) Geen opvolger Na de Walburgschool ging Paul naar het Katholiek Gelders Lyceum aan de Velperweg. Na een jaar op de HTS volgde hij de opleiding Biochemie in Oss. Uiteindelijk kwam hij in de ICT terecht zoals hij altijd al wilde. Het stond altijd min of meer vast dat hij zijn vader niet zou opvolgen. 'Mijn ouders hebben ons van jongs af aan duidelijk gemaakt dat het bakkersberoep erg zwaar is. Ze hebben ons afgeraden ook in de zaak te gaan werken. Natuurlijk hebben we als kinderen wel allemaal meegeholpen. Een broer heeft lang overwogen om bakker te worden, maar er uiteindelijk niet voor gekozen. Vanwege zijn gezondheid – hij had een sporthart - heeft mijn vader in 1978 besloten de bakkerij te verkopen aan Gerritsen uit Wijchen.' Na de verkoop werd het complex in stukken verdeeld en werden de loodsen verhuurd voor een andere bestemming. Vader Kusters heeft daarna nog jaren als suppoost en kassier in het Openluchtmuseum gewerkt, zoals gebruikelijk was in die tijd bij zelfstandigen die voor hun vijfenzestigste moesten stoppen met werken. 's Winters kreeg hij dan een uitkering. 'In het Openluchtmuseum heeft mijn vader nog zijn eigen registratiesysteem ingevoerd dat gebaseerd was op de relatie tussen het weer en de omzet. Daarmee was hij al in de bakkerij begonnen om te bepalen hoeveel brood hij moest bakken. Dat systeem bleek ook handig om de bezoekersstromen van het Openluchtmuseum te voorspellen,' weet Paul. Zijn vader overleed in 1990, zijn moeder in 2014. Bij het opruimen van hun huis is Paul nog veel herinneringen aan de bakkerij tegengekomen, waaronder de volle prijzenkast van zijn opa en vader die hij aan het Bakkersmuseum wil schenken.
1 2 3
Pagina's (1): 1